Complexe vroegkinderlijke traumatisering: een ontwikkelings- en hechtingstrauma
Ruitenbeek (2018)
Traumatische ervaringen zijn ervaringen die bij normaal bewustzijn niet zijn te verdragen. Vroegkinderlijk trauma bestaat doorgaans uit meerdere “klappen.” De schade van de eerste klap(pen) hangt af van de aard en intensiteit van de gebeurtenis. De tweede klap die het eigenlijke trauma teweegbrengt, is een gevolg van niet opgevangen worden. Dat is het geval bij onvermogen van de ouders of ongelukkige omstandigheden waarbij niet zelden de ouders zelf getraumatiseerd zijn. Traumatiserende gebeurtenissen in de kindertijd “vallen” in een nog ongevormde persoonlijkheid en voor de “opvang” zijn kinderen afhankelijk van hun eerste verzorgers. Daar de inprentingen vroeg plaatsvinden en in een onvermijdelijk sociale context wordt er bij CPTSS ook wel gesproken van ontwikkelingstrauma (Fisher 2018 e.a.) en/of hechtingstrauma. (Ruppert, 2014 e.a.).
Kinderen zijn te klein om weg te kunnen uit hun situatie. Als ze te maken krijgen met mishandeling en verwaarlozing, vooral als mensen van wie ze houden daarvoor verantwoordelijk zijn, moeten ze op een niet fysieke manier uit de situatie “weg komen”. Ze moeten zich losmaken van wat er gebeurt om op de een of andere wijze intact te blijven, op te groeien en de normale ontwikkelingstaken onder de knie te krijgen: leren op school, vrienden maken, interesses ontwikkelen.